Voel je?

By -Kees-

Daar zat ze.

Een mooi, maar ernstig gezicht. De ramen van de metro weerspiegelden een sombere blik. Ze zat op haar gebruikelijke plek. Ik kon mijn aandacht niet langer bij mijn boek houden, nu ik haar zo zag. Ik wist niet waarom juist zij mijn aandacht trok. Ik vond haar niet direct aantrekkelijk: ja, ze was mooi, maar dat wist ze volgens mij ook verdomd goed. Toch kon ik al een paar dagen mijn blik niet van haar af houden. Zodra ik haar in de metro ontdekte boeide ze mij. Regendruppels kletterden op de ramen en hun schaduwen gleden over haar gezicht. Bij haar halte stond ze op. Een donkere winterjas schoof tussen ons in. De deuren gingen open en diverse mensen baanden hun weg door de inkomende mensenmassa de metro uit. Kou kwam naar binnen. Ik keek haar na, het donkere haar golvend op het ritme van haar passen. Een oudere vrouw keek me belangstellend aan. Ik glimlachte en probeerde mijn aandacht weer tot mijn boek te richten.

Lachend kwamen we binnen. Muziek en warmte kwamen ons tegemoet. ‘Daar is geloof ik nog plaats; daar achterin.’ Het was druk, maar gezellig druk; je werd nog net niet helemaal plat gedrukt.
‘Waar zijn Gerjan en Annemiek?’ 
‘Oh, die zijn nog buiten. Ze hadden moeite met hun fietssloten.’ 
‘Ja, ja .. dat zal wel. Zeg, wat dachten jullie van allemaal een tientje in de pot?’
‘Is prima.’ Ik keek de zaak rond. Het was weer een echte donderdagavond. Veel studenten liepen door elkaar: drinkend, lachend, rokend en ze hadden elkaar blijkbaar veel te vertellen. Ik nam een slok van mijn bier en keek naar het glas. Het smaakte me niet. Twee dames passeerden mij in het smalle pad. Ik werd ruw een kwartslag gedraaid. Een van de dames riep een verontschuldiging, maar ik hoorde het amper. Ik keek naar een bekend gezicht. Daar stond ze. Nog steeds die ernstige blik. Haar vriendinnen stonden druk om haar heen te praten, maar het leek alsof ze met haar gedachten ergens ander was. Waarom hield zij me zo in haar ban? Wat was er aan haar dat me zo aansprak?

‘Hee, laat me eruit!’ … Geen antwoord. ‘Doe niet zo flauw! Hééé!’ … Dat was fraai. Ze hadden me opgesloten. Het was hier erg donker. Voorzichtig stond ik op. Ze hadden me behoorlijk hard naar binnen geduwd, zodat ik niet wist waar ik precies was. Ik voelde een koude wand links van me, waar ik hard met mijn vuisten op sloeg. Die havencontainers sluiten verdomd goed af. Geen enkel lichtstraaltje kwam binnen. Mijn ogen kregen daardoor geen kans om aan deze duisternis te wennen. Ik luisterde, maar hoorde niets; enkel mijn eigen hartslag die door mijn slapen gonsde en een klagend stemmetje in mijn hoofd dat zei dat ik snel iets moest ondernemen om hieruit te komen. Nogmaals bonkte ik op de wand. Het geluid klonk hard in de afgesloten ruimte, maar stierf snel weg. Het werd weer stil in de duisternis. Waarschijnlijk komt niemand op zondag in de buurt van dit gedeelte van de haven, dus wie zou me kunnen horen…

Klootzakken, wat een lol hebben we weer. Ze zouden me toch niet echt aan mijn lot overlaten? Dat zijn dan je vrienden. Verdomme, ik wil eruit! Voorzichtig schoof ik voetje voor voetje vooruit, met mijn handen als een blinde voor me uit. Shit, nergens ook maar iets te zien om op te richten. Steeds taste ik met m’n voeten de grond af voordat ik een stap zette. Het leek erop dat deze container leeg was. Ik schuifelde voort totdat ik niet verder kon. Ook deze wand bood geen nieuwe mogelijkheden. De situatie was er nog niet beter op geworden. Ik voelde met mijn handen in m’n zakken. Jammer genoeg alleen het gebruikelijke; sleutels, een papiertje, zakdoekjes. Daar had ik niet veel aan. Shit, de situatie gaf me absoluut geen fijn gevoel. Zo in het donker en wetend dat je geen kant uit kunt. Op mijn gevoel draaide ik een kwartslag naar links, misschien dat daar de voorkant van de container was. Voorzichtig begon ik aan een nieuwe trip in het donker. Dit keer was de afstand die ik aflegde groter. Het duurde voor mijn gevoel een eeuwigheid voordat ik weer bij een koude wand kwam. De kou van deze dag begon nu door mijn kleren heen te dringen. Nergens hoorde ik mijn vrienden daarbuiten.

Het beviel me steeds minder dat ik echt opgesloten zat. De machteloosheid; het gevoel dat ik niets aan deze situatie kon doen, nam me volledig in beslag. Wacht … ja, dat lijkt wel op een naad. Mogelijk de voordeuren van de container. Maar geen klink of hendel of iets dergelijks. Ik voelde met mijn handen op de koude wand. Dat zat er in. Die zit waarschijnlijk alleen aan de buitenkant. Verdomme, hoe kom ik hier nu uit? Weer sloeg ik met mijn vuisten op de wand en begon te roepen. Ik stopte om te luisteren. Het geluid stierf na enkele weerkaatsingen weer weg, maar geen reactie. Ik sloeg nogmaals uit alle macht tegen de wanden aan en schreeuwde. Weer geen reactie. Ik hief net mijn handen voor een volgende poging toen ik zacht een stem van buiten hoorde.

‘Hier, heb je een biertje. En toe … lach eens.’ Mirjam zette een biertje voor mijn neus en lachte me toe.
‘Sorry, ik was even in gedachten.’ Ik nam een grote slok van het bier. ‘Lekker. Bedankt.’
‘Zeg, is er iets?’
‘Nee, niets bijzonders. Ik was er gewoon even niet bij.’ Ik keek naar Mirjam die licht haar wenkbrauwen optrok. Ik glimlachte. ‘Het is gewoon m’n avond niet.’
‘Oké, dan niet.’ Mirjam draaide zich van mij weg. Ik keek opzij en zag dat zij er niet meer stond. Haar vriendinnen stonden nog op de zelfde plek te lachen en te drinken. Opeens kon ik plaatsen waarom zij me zo boeide. Op een of andere manier moest ik door haar weer aan het machteloze gevoel denken dat ik had beleefd in de havencontainer. Dat gevoel was ik helemaal vergeten. Machteloosheid en beklemming. Gelukkig niet bij mezelf, maar ik kon me voorstellen dat zij zich zo zou voelen. Ondanks dat het niet smaakte, staarde ik in een leeg glas. Ik mengde me weer in het gesprek van mijn vrienden.

Daar zat ze. Op haar gebruikelijke plek, maar een heel ander meisje dan gisteren. Haar uitstraling was volkomen anders. Glimmende ogen keken uit het raam. Weer was ik geboeid. Hoe is het mogelijk, dacht ik bij mezelf. Ze heeft het gered. Wat het ook was, ze heeft zich er door heen geslagen. Ze merkte dat ik naar haar keek en glimlachte. Ik lachte terug. Het beklemmende gevoel was blijkbaar verdwenen. Ik had de neiging iets tegen haar te zeggen, maar voelde dat door de verandering de magie was verbroken. Ik wendde mijn blik af. Het was goed zo, we konden verder.