Mariam

By -Kees-

Naast de rij monitoren stond een TV’tje. De man achter het paneel zat glimlachend achterover in zijn stoel.
‘Automonteur. Dat zie je toch wel?’ Hoofdschuddend verplaatste hij zijn blik naar de monitoren. De gangen op de monitoren waren verlaten. Mooi zo.
‘Zie je het nou nog niet?’ vraagt de presentator, ‘dan zou ik snel maar weer draaien. De tijd loopt.’ De kandidaat pakt het rad en geeft hem een zwieper. Opeens ging de mobilofoon.

‘Met Robert… zeg het maar.’
‘Gerard hier. Alarmcode 215… snel.’ In een reflex ging Robert’s hand naar de rode knop op het paneel. Het stille alarm was ingeschakeld. Robert toetste de code van Gerard in op de computer voor hem; alle bewakers hadden nu contact met de hoofdbewaker.
‘Gerard, je hebt nu een open lijn. Wat is er aan de hand.’
‘Cel 21 Blok B is leeg. Bel de GGD. Martin ligt hier met een nare hoofdwond en is buiten westen. Hij is uitgekleed tot op z’n onderbroek. Shit; dat ziet er niet goed uit… Geen spoor van de ontsnapte. Jij hebt zeker niets gezien, Robert?’
‘Nee… niets bijzonders.’ Robert veegde het zweet van z’n gezicht, drukte het TV’tje uit en drukte op de knop voor de GGD. ‘Je wilt beweren dat hij zich als bewaker heeft verkleed?’
‘Waarschijnlijk wel. En met de pas van Martin kan hij er zo uit. Hou de uitgangen scherp in de gaten. Mobiliseer alle eenheden. Laat ze voorzichtig zijn… hij is nu gewapend. Is de ambulance onderweg?’

Het is gelukt. Hij stond buiten. Het pasje werkte. Als hij het goed had stond hij aan de Zuidkant. Deze uitgang lag het dichtst bij het metrostation. Hij moest snel handelen. Hij had geen idee hoeveel tijd er overheen zou gaan voordat ze het zouden ontdekken. Niemand te zien. Gejaagd liep hij naar het hek met de draaideur. Hoe kwam hij hier doorheen. Waar was het uitlogkastje voor de bewakers… Dat moest er zijn. Verdomme, straks was er geen bij deze uitgang. Stomme zak. Je weet dat ze vanaf hier ook naar huis gaan. Hou op met zenuwen; denk na. Maar dat was moeilijk, zo verdomd moeilijk in zijn situatie. Over een half uur moest hij er zijn. Mariam zou niet blijven wachten, had ze gezegd. Ja, daar aan de rechterkant. Je kon het niet makkelijk zien omdat het half was ingebouwd. Hij liep erheen, haalde het chippasje langs de scanner en duwde tegen de draaideur die gelukkig meegaf. Halverwege bleef de draaideur steken. Verd… wat nou weer. Achter zich hoorde hij deuren open gaan. Hij keek achterom en zag bewakers naar buiten komen. Shit, ze hadden het al ontdekt. Hij duwde en trok hard aan de tralies van de draaideur. Hij kon niet voor of achteruit. Opeens zag hij onder hem een rode stip, waarop hij waarschijnlijk moest gaan staan voor het gewicht. Hij kende dit syteem van de luchthavens. Koortsachtig dacht hij na terwijl hij op de rode stip ging staan. Hoe zwaar was die gozer die hij had overmeesterd? Vrijwel dezelfde lengte; maar ook vrijwel het zelfde gewicht?

‘Hé daar… blijf staan.’
Dat doen we dus niet. Hij duwde tegen de draaideur. Ja, verdomd, hij gaf mee. Hij stond nu echt buiten. Waar is de metro. Aan de overkant zag hij de tunnel met de bekende ‘M’. Hij bedacht zich geen moment. Gierende remmen en verblindende lampen trokken zijn aandacht, maar ze hadden hem al te pakken. Happend naar adem en z’n gezicht verwrongen van de pijn, stond hij weer op. De bestuurder – een vrouw – kwam geschrokken naar buiten. Geen tijd. Hij keek naar rechts – had ik eerder moeten doen – zag dat er niets aankwam en rende verder. Hij vluchte de catacomben in, rende mensen voorbij en liep daarbij een oude man omver. Sorry ouwe. Welke richting moest hij hebben? Die van het centrum af. Hijgend liep hij naar de trap die hem naar het perron zou brengen. Hij keek achterom en zag de eerste bewakers. Hij had geluk; lijn 28 gaf aan dat hij zou vertrekken. Met een laatste krachtinspanning sprintte hij naar binnen. De deuren sloten achter hem. Hij keek achterom. Daar kwamen ze. Te laat, de metro was al in beweging.

Hij merkte dat ze hem aan zaten te staren. Hij keek opzij en zag in de spiegeling van de ramen dat het niet zo verwonderlijk was. Een hijgende, ongeschoren ‘bewaker’, met een bebloede kop. Zeker gekomen door die smak op het asfalt. Hij grijnsde terug. De mensen keken snel een andere kant op. Hij keek op zijn horloge. Nog 20 minuten. Da’s mooi. Mariam had gezegd dat ze hem achter de kerk zou ontmoeten, bij de grote eik. Hij zou er zijn. Op tijd. Ze hadden hem bij haar weggehaald, de klootzakken, maar dat hield hem niet tegen. Niets kon hen uit elkaar houden. Ze zouden elkaar weerzien en er samen vandoor gaan, voorgoed. In het buitenland opnieuw beginnen. Nog drie haltes. Hij zou op tijd zijn.

‘Het ziet er niet goed uit.’ Gerard stond bij z’n bureau. ‘Hij is gewapend, dus zeer gevaarlijk. Fax aan alle mobiele politie-eenheden een foto van hem door en breng hen op de hoogte. Ze moeten alle metrostations vanaf hier tot het einde van lijn 28 in de gaten houden. Het is misschien al te laat, maar het enige wat we kunnen doen.’ Robert knikte en zocht zwijgzaam in z’n systeem naar de gevraagde foto.
‘Verdomme hoe heeft ie het gedaan. Martin is niet een van de gemakkelijksten. Zijn hele hoofd ligt in puin. Maar ja. Hij kent de zwakke plekken van het lichaam. En wie weet hoelang hij hier aan werkte. Op een of andere manier heeft hij het vertrouwen van Martin gewonnen.’
‘De fax is klaar. Wil je hem nog nakijken?’
‘Verdomme nee… wat heb je toch Robert. Je bent toch geen klein kind. Versturen die handel. En bel Leo. Hij kent deze gozer. Hij heeft hem hier gebracht.’
‘En ons voor hem gewaarschuwd,’ zei Robert.

Hier moest hij eruit. De kerk was hier niet ver vandaan. Maar zo kon hij niet over straat. Eerst maar even opknappen. De deuren gingen open. Het was niet druk. Dat betekende weinig getuigen, maar zou hij ook meer opvallen. Gelukkig was de pijn van de aanrijding afgenomen. Hij nam de roltrap naar boven en had weer mazzel; geen controleurs. De WC’s waren vlakbij. Hij ging naar binnen en keek om zich heen. Een jongen stond te plassen en keek naar hem op. Hij keek de jongen aan. Deze deed snel zijn rits dicht en vertrok. Mooi zo. Hij bekeek zichzelf in de spiegel. Een oppervlakkige schaafwond sierde zijn gezicht, maar bloedde niet meer. Hij pakte een stuk papier uit de rol, maakte die nat en depte het gestolde bloed weg. Voorzichtig, dat het niet weer gaat bloeden. Zo, dat ziet er al weer een stuk beter uit. Hij haalde het chippasje uit de jaszak en keek ernaar. Nou… Martin; ontzettend bedankt voor het lenen. Hij gooide het in een vuilnisbak. Het pistool haalde hij uit de holster en controleerde het. Dat zag er goed uit. Wie weet wanneer die nog van pas komt. Hij kamde z’n haren met z’n vingers, knoopte het uniformjasje netjes dicht en bekeek zichzelf nog eens in de spiegel. Zo kun je er wel mee door. Hij draaide zich om en liep de WC uit. Op weg naar de kerk; op weg naar Mariam. Eindelijk, na al die tijd, zouden ze weer samen zijn.

‘Gefeliciteerd, jongens. Heel goed gedaan. Na al mijn waarschuwingen. Echt heel goed. Applaus.’
‘Hou je opmerkingen maar voor je. De situatie ligt er. Dus kom met suggesties of hou je bek.’ Leo keek Gerard aan, maar zei niets. De telefoon ging.
‘Hofman. … ja … mmm … okay ‘ Gerard legde op. ‘Nog steeds niets. We zijn te laat. Nog steeds wordt niet de hele lengte van lijn 28 in de gaten gehouden.’ Leo zei niets. Gerard draaide naar het raam en staarde naar buiten. ‘Nou … nog briljante ideeën?’
‘Misschien. De 28 gaat toch langs de Spaanhoudersstraat? Of niet?’
‘Ja, ik geloof van wel.’
‘Dan heb ik een idee waar hij waarschijnlijk heen wil. Ik kan het fout hebben, maar het is een mogelijkheid. Wat dacht je van Plantage Oosthoek?’ Gerards ogen werden groter.
‘Verdomd ja… zou je denken…’
‘Ik weet het niet, maar het is verdomd goed mogelijk. Ik ga erop af.’ Leo draaide zich om en liep het kantoortje uit.
‘Wacht, ik ga met je mee.’

De kerk rees als een donker silhouet op tegen de maanverlichte hemel. Er waren weinig sterren. Op dit tijdstip kwamen hier weinig mensen. Mariam had een goede plek uitgezocht. Mooi; heel goed. Hij kon haast niet wachten. Hij was aan de vroege kant. Misschien was ze er nog niet. De eik stond achter de kerk, had Mariam hem gezegd. Hij liep naar het hek dat doorgang gaf naar de achtertuin. Hij zag niemand op het terrein. In het huis van de koster zag hij lichten. Door de gordijnen zag hij bewegingen die van een TV afkomstig moesten zijn. Goed zo. Hij duwde tegen het hek, dat makkelijk en vrijwel zonder geluid meegaf. Bedankt voor het goede onderhoud en het vertrouwen in de mensen. Hij liep naar binnen. De torenklok sloeg eenmaal. Hij zag de grote boom in het midden van de tuin. Hij was op tijd. Gelukkig. Maar waar was Mariam. Ze was altijd op tijd. Ze hadden haar toch niet ook te pakken gekregen? Hij liep lang de paden naar het midden. Hij kon z’n blik niet van de eik afhouden. Mariam waar ben je…

‘Marcel,’ zei een stem bij de kerk vandaan. Nee, dat kon niet. Dat was niet mogelijk. Een gedaante stond in de schaduw van de kerk. ‘Je bent te laat. Dat weet je toch.’
Nee!‘ Opeens kwam alles terug. Afschuwelijk snel. De beelden drongen als een explosie in z’n hoofd. Hij keek naar beneden en volgde de grafzerken naar de eik. Daar in het midden naast de eik stond een nieuwe witte steen, sterk afstekend in de volle maan. ‘Mariam’, fluisterde hij, ‘Oh Mariam… het spijt me zo…’ Hij pakte het pistool, keek ernaar en zette de loop tegen z’n voorhoofd.
‘Marcel, doe geen domme dingen.’ Leo kwam uit de schaduw te voorschijn en liep op Marcel af. ‘Het was absoluut niet jouw fout. Je had geen andere keus.’
Dat had ik wel! Natuurlijk had ik dat. Maar je hebt gelijk … oh ja, je hebt gelijk …’ Marcel haalde het pistool van zijn voorhoofd weg. ‘Het was jullie fout. Jullie zijn schuldig aan de dood van Mariam. En weet je…’ Marcel richtte het geweer op Leo, zijn vinger gespannen aan de trekker. ‘Ik neem vooral jouw kwalijk. Jij bent bovenal schuldig. Vuile hufter!’
‘Verdomme, Marcel … als je graag een zondebok hebt, ga dan je gang. Als je dat echt denkt, haal dan die verdomde trekker over. Maar doe niet iets waar je niet van overtuigd bent. Het was een ongeluk. Een samenloop van omstandigheden. Dat weet ik en dat weet jij ook. We dragen allemaal onze fouten mee.’ Leo kwam dichterbij. ‘Marcel … doe het niet.’

‘Het is zo oneerlijk … zo verdomd oneerlijk…’ Marcel zakte in elkaar. Hij liet het pistool zakken. Leo kwam dichterbij en nam hem in z’n armen.
‘Ik weet het.’ Leo drukte hem steviger tegen zich aan. Langzaam ontspande Marcel en liet het pistool los.
‘Het is niet eerlijk. Wat heb ik nou nog om voor te leven.’ Achter de kerk stond Gerard in z’n witte jas. Leo gebaarde dat hij daar moest blijven.
‘Zoveel meer, Marcel. Nog zoveel meer … Mariam zou niet anders willen.’