Burengerucht
By -Kees-Met een schok werd ik wakker. Het lawaai herhaalde zich: een klap tegen de muur, brekend glas en geschreeuw. Het rode schijnsel van de wekkerradio drong mijn slaperige ogen binnen. 3:14 schreeuwde het rode licht me toe, versterkt door gevloek en getier vanachter de muur. Ik draaide me om en keek naar het vage patroon van het behang. Een kind begon te huilen. Meer geschreeuw, nu gevolgd door gekrijs van een vrouw. Een deur werd hard dichtgeslagen.
Ik probeerde me het tafereel voor te stellen. Een grote man, ongeschoren en roodomrande ogen. Zijn vrouw in een hoek gedreven haar armen beschermend om haar dochtertje. Hij dronken, amper wetend wat ie uitschreeuwt, met erg losse handen. Zij: blauwe armen, huilend, overstuur, verslagen… Het kind, drie en een half jaar oud, nu angstig stil, troost zoekend bij mama… Haar papa die terugkruipt in bed en in een coma wegzakt. Het geweld is voelbaar in de slaapkamer… kapotte spiegel en lamp, overal kleren, een man languit op het bed en een hoopje verslagenheid in de hoek.
3:20 zei mijn wekker. Rustig en stil aan de andere kant van de muur. Erg stil. Ik was klaarwakker. Ik draaide me om, begroef mijn gezicht in mijn kussen en dacht aan zaterdag, een week geleden…
Ik stapte van mijn fiets en zette hem tegen de muur. Het sneeuwde nog steeds. Een mooi gezicht: de stad als sneeuwlandschap. Ik trok mijn handschoenen uit en keek door de straat. Besneeuwde stoepen met voetstappen. De sneeuw mooi, vers en wit. Vier kinderen hielden een sneeuwbalgevecht. Ik deed mijn fiets op slot en pakte twee tassen vol boodschappen uit de fietstassen. Ik liep de portiek in, de trap op en daar zaten ze. Moeder en dochter, bovenaan zittend, de armen om elkaar heen. We keken elkaar aan.
‘Hallo,’ zei ik terwijl ik mijn sleutels uit mijn broekzak probeerde te vissen. Ze zeiden niets. Net toen ik wilde passeren, zei het meisje:
‘Papa is boos.’ Ik keek opzij, recht in haar grote ogen. Haar moeder drukte het meisje ongemakkelijk tegen zich aan. Ik wist niets te zeggen. Ik keek naar de jonge vrouw op de trap. Ze keek naar mijn schoenen. Ik liep verder de trap op en zette mijn tassen neer. Ik stak de sleutels in het slot en deed de deur open.
‘Willen jullie misschien binnenkomen? Het is zo koud hier buiten.’ Het was eruit voor dat ik het wist. Ik draaide me om. ‘Eh… het is niet goed om zo op die koude trap te gaan zitten.’ Het meisje keek haar moeder aan, die mij taxerend bekeek. Ze zag er goed uit, ondanks de doorgelopen make-up. Zo stonden we even, tot ik mijn boodschappen oppakte. ‘Laat maar…’
‘Goed,’ zei mijn buurvrouw onverwacht. Ze liepen voor mij de gang in, het meisje voorop. Da’s mooi. Nu zit je er aan vast, jongen. Ik sloot de deur en liep langs ze heen de keuken in. Ze bleven staan in de gang.
‘Jullie mogen hier wel heen komen,’ zei ik vanuit de keuken. ‘Willen jullie misschien iets drinken? Hier neem een stoel.’ Ik wees op de stoelen, maar ze bleven ongemakkelijk staan. ‘Zin in thee?’ De moeder knikte me toe.
‘Graag,’ zei ze. Ze stonden nog steeds. Het meisje tegen de benen van haar moeder. Ze had twee staartjes in. Ik ging op mijn hurken zitten.
‘Hai, ik ben Rogier. Wie ben jij?’ Nog dichter drukte ze zich tegen de benen van haar moeder aan.
‘Wendy,’ zei haar moeder.
‘Hai, Wendy. Wil jij ook thee? Of heb je liever wat anders?’
‘Appelsap,’ zei Wendy.
‘Oké, eens kijken of ik dat heb.’ Ik liep naar de koelkast. ‘Appelsap, zie je wel. Heb ik. Lekkere koude appelsap. Ga toch even zitten. Ik zet even thee.’ Ik gaf Wendy de sap en keek naar haar moeder. Deze barstte opeens in tranen uit.
De wekker ging. Verstijfd lag ik in mijn bed. Nu al? De wekker gaf 10:00 aan en schreeuwde nog steeds. Onding. Ik zette ik de wekker uit. Niet in de sluimerstand, maar helemaal uit. Da’s veiliger. Ik moest denken aan Wendy en Yvette. Een mooi meisje met een mooie moeder. Hoe zou het daar nu zijn. Ik hoorde geen geluiden achter de muur. De drie weken die ik hier nu woonde, was het elke vrijdagnacht raak. Deze week zelfs op dinsdagavond. Dat mocht niet langer doorgaan.
Dat had ik Yvette ook gezegd. Volgens mij zou zoals alleen maar erger worden. Bram dronk. Zwaar. Goede baan, mooi gezinnetje, auto voor de deur, maar hij dronk. En dan had ie zichzelf vaak niet in de hand. De klootzak. En Yvette en Wendy moesten het daarbij ontgelden.
‘Yvette,’ zei ik, na een lange, door hevig snikken onderbroken verhaal van haar, ‘ik zou het niet langer pikken. Dan was ik allang weg.’
‘Maar zo werkt het niet… ik hou van hem,’ was het antwoord. Ze begon weer te huilen. ‘Hij is niet altijd zo. Eigenlijk is ie heel aardig. Als je hem beter zou kennen…” Beiden dachten we hierover na.
‘Beseft hij wat ie je aan doet? En niet alleen jou, maar ook Wendy?’ Ik keek naar Wendy en glimlachte. Ze lachte verlegen terug.
‘Hij heeft er altijd achteraf spijt van.’
‘Da’s makkelijk zeggen. Daar heb jij nogal wat aan… Kijk, als buitenstaander kan ik natuurlijk een heleboel dingen zeggen, maar dit… ik vind dit niet… Het lijkt wel een soap. Ik heb dit nog nooit van dichtbij meegemaakt.’ Ik keek naar haar beurse armen. ‘Ik zou er wat aan doen. Dit kan niet langer.’
‘Hij heeft er altijd spijt van,’ zei Yvette nogmaals en keek naar haar handen om haar mok thee.
Ik deed mijn ogen weer open een keek naar de wekker. Het was weer zaterdag. 10:45. Shit. Om half twaalf had ik een afspraak met een paar vrienden. Dat redde ik nooit meer. Opschieten. Ik sprong uit bed. Greep mijn lenzen en liep de badkamer in. Ik had ze net in, toen de bel ging. Snel schoot ik een broek aan. Ik rende naar de deur. Ze wilden net weggaan.
‘Oh je bent er toch wel,’ zei Yvette. ‘Ik heb je toch niet wakker gebeld?’
‘Nee, hoor,’ glimlachte ik. Pijnlijk lachte ze terug, vanachter haar donkere zonnebril. Het zag er niet goed uit, daaronder.
‘We gaan naar oma,’ zei Wendy. ‘Kijk.’ Ze wees op de twee weekendtassen op de grond.
‘Ja, we gaan een tijdje naar mijn ouders,’ zei Yvette. ‘Bram was vannacht weer boos. Erg dit keer.’ Ze keek naar Wendy. ‘En papa wilde jou ook slaan maar dat heeft mama kunnen voorkomen. Of niet dan.’ Wendy knikte met grote ogen, maar kroop opnieuw achter de benen van haar moeder.
‘Ik heb hem vannacht opgesloten in de slaapkamer. Zelf heb ik bij Wendy in bed gelegen. Of niet, Wen. Gelukkig had je net vorige maand een groot bed gekregen.’ Ze keek mij weer aan. ‘Vanmorgen heb ik de deur weer van het slot gedaan. Bram lag nog in een coma. Dat is maar beter ook. Dan kunnen wij ongestoord weg. In ieder geval wil ik je bedanken voor vorige week. Dat was goed. Het spijt me voor alle overlast, die we je hebben bezorgd.’
We keken elkaar aan. ‘Het geeft niet. Het is beter zo. Ik hoop dat jullie een fijne tijd hebben bij je ouders.’
‘Vast wel,’ zei ze. ‘Nou, zeg maar dag tegen Rogier.’
‘Dag,’ zei Wendy nu weer zelfverzekerder.
‘Dag Wendy. Veel plezier. Dag Yvette.’ Ze keek me nog even aan en draaide zich toen om. Bijna wilde ik haar zeggen dat de zonnebril niet zo veel hielp. Maar aan zo’n opmerking had ze op dit moment niets. Ze liepen de trap af. Ik staarde ze na tot ik ze niet meer kon zien. Half twaalf, schoot het door mijn hoofd. Snel sloot ik de deur. Het was knap koud buiten.