Brandende bruggen
By -Kees-Ik herinner het me nog goed. Het ochtendlicht scheen door het kleine venster recht in mijn gezicht. Het was een lange nacht geweest. Die dag zou het gebeuren. Zo’n twee weken eerder was ik 17 geworden. Nu, meer dan dertig jaar later, kan ik lang niet alles herinneren, maar die nacht en de dag erna staan voorgoed in mijn geheugen gegrift. Ik stond voor een zware beproeving. Na lang wachten zou ik als man worden erkend; eindelijk geen jochie meer. Respect zouden ze hebben. Niet vanwege mijn afkomst, maar vanwege mijn daden. Maar ik moest me eerst nog bewijzen.
De avond ervoor verplicht in retraite. Geknield bidden en nadenken. De honger negerend, aangezien ik al twee dagen had gevast. Omgaan met allerlei tegenstrijdige gedachten. Ik had het ritueel altijd als onzinnig bestempeld. Maar nu ik het eenmaal zelf had ervaren zag ik het anders. Ik voelde me er goed door. Veel onbeantwoorde vragen, maar toch kreeg ik een serene rust over me. Mijn gevoel zei me dat ik uit alle mogelijkheden waarschijnlijk toch de goede keuze had gemaakt. Ik zou mijn vader opvolgen.
Voor die nacht wilde ik een Kouseband worden. Ik had daar mijn zinnen op gezet en keihard voor getraind. Hoog in het vaandel in heel Groot-Brittannië; een absolute eer voor mijn vader en familie. Ik wilde de jongste Kouseband aller tijden worden. Als zoon van de Koning van Schotland, samen met 25 anderen edelen, behorend tot de orde in Brittanië onder Eduard III. Onderdeel van de adellijke elite. Samen strijden tegen Frankrijk, om de rechten van Calais.
Mijn moeder was niet blij met mijn keuze. Zij zag het als het nodeloos opofferen van haar oudste zoon, voor een nutteloze zaak. Veel van mijn landgenoten moesten ook niets van deze politiek hebben. Voor hen was ik een overloper. Mijn vader daarentegen zag dat anders. Hij zag het als een unieke kans voor Schotland om deel uit te maken van het Britse Rijk, zonder onze zelfstandig te verliezen. Dit standpunt heb ik altijd vreemd gevonden, gezien het verleden van mijn vader. We zullen nooit te weten komen wie gelijk had. Maar tot die avond kon me dat niets schelen, ik wilde een Kouseband worden.
Maar het lot besliste anders. Na een kortstondige, plotselinge ziekte overleed mijn vader. Hierdoor miste de orde van de Distel zijn leider. Onbegrijpelijk… mijn vader kwijnde in de kracht van zijn leven in twee maand tijd weg en stierf een pijnlijke dood. Mijn vader die Eduard II een lesje leerde bij Bannockburg en Schotland weer onafhankelijk verklaarde. Van deze overwinning heeft mijn vader maar drie jaar kunnen genieten.
Na een periode van twee weken diepe rouw, kwam Lugonn naar me toe. Er was in die periode veel gepraat over mijn bestemming. Mijn vaders raadslieden wilden dat ik mijn vader zou opvolgen, vertelde Lugonn. En -nog belangrijker- het volk wilde dat ook. Hiervoor zou ik toe moeten treden in de orde van de Distel; de hoogste orde in Schotland en mogelijk het leiderschap op me nemen. Ik zei tegen Lugonn, mijn vriend en leermeester, dat ik nog niet toe was om daar over na te denken. Lugonn overtuigde mij, op zijn eigen meesterlijke wijze, dat juist nu de tijd daar rijp voor was. Ik moest verder met mijn leven, net zoals het volk van Schotland -op dat moment mijn volk- ook verder leefde. Als ik niet snel een aantal stappen zou ondernemen, dan zou het aanzien van mijn familie met al onze privileges voorbij zijn. Anderen stonden al klaar om de macht over te nemen.
Een week later was ik koning van Schotland. Zonder slag of stoot. Veel te makkelijk. Zelf vond ik dat ik het nog moest verdienen.
Nu was de dag dan eindelijk aangebroken. Nog steeds de orde van de Kouseband niet vergeten, maar ik was klaar om de strijd aan te binden voor de eer van de Distel. Nu de zon in mijn gezicht scheen merkte ik dat ik honger had. Erge honger. Mijn retraite was voorbij. Ik opende de deur van mijn cel. De felle voorjaarszon kwam volop naar binnen. Ik kon even niets zien. Toen mijn ogen zich hadden aangepast, zag ik twee silhouetten staan. Het waren Lugonn en Morgan, wachtend tot ik zou ontwaken.
‘Goedemorgen, heer,’ zei Morgan, ‘wilt u iets te eten?’ Ik keek Lugonn aan. Ik had hem zes weken niet gezien en gesproken. Van onder zijn habijt knikte hij me toe.
‘Graag,’ antwoordde ik. Morgan schonk me zijn vertrouwde glimlach en liep richting de keukens. ‘Kom binnen!’ Lugonn kwam binnen en sloot de deur.
‘Goed uitgerust, meester?’ vroeg Lugonn. Ik keek hem aan.
‘Ik heb niet veel geslapen, maar ik voel me goed, dank je.’
‘Nog steeds sceptisch over retraite als ritueel, meester?’
‘Daar ben ik nog niet uit, Lugonn. Ik ben blij je weer te zien. Maar waarom ‘meester’? Zo heb je me nog nooit aangesproken. Al een paar weken ben ik je koning, maar ik zal nooit je meester zijn. Het idee dat ik jou wat zou kunnen leren.’
‘Dank u meester, maar de beproeving van vandaag is alleen maar een formaliteit. In mijn ogen heeft u het ridderschap al verdiend. Wat ik van de hovelingen en de generaals hoor, heeft u de juiste beslissingen genomen en komt u over als een vorst die weet wat hij wil. En na het rituele gevecht bent u de absolute Heer van de Orde van de Distel. En een bepaalde etiquette hoort daarbij, naar mijn mening.’
Morgan kwam binnen met een grote plank. Twee mandjes brood, een kan water, een halve kip, een bloedworst en een mok melk. Het water liep me in de mond. Morgan zette de plank op de houten tafel langs de wand van de cel. Ik viel meteen aan.
‘Heerlijk,’ zei ik, ‘neem ook wat.’ Ongemakkelijk keek Morgan naar Lugonn. Deze knikte instemmend. Morgan schoof bij me aan tafel en nam een stuk brood. Hij keek me niet aan.
‘Ik heb er zin in,’ zei ik. Dit brak blijkbaar de spanning want Morgan keek me opeens aan en begon met zijn gebruikelijke ochtendgekwebbel.
‘Ja, ik ook. Wist je dat ik de hele nacht niet heb kunnen slapen? Het is allemaal zo spannend. Maar ik heb alle vertrouwen in je. Dat hebben we allemaal.’ Hij nam weer een hap brood.
‘Dank je.’ Ik keek naar Lugonn. Hij staarde terug. Een sereen figuur, zijn handen gevouwen in zijn pij. ‘Geen honger?’ vroeg ik hem. Hij bleef me aankijken van onder zijn kap.
‘Mannen,’ zei ik, ‘ik wil een paar dingen aan jullie kwijt. Er zullen vandaag veel dingen veranderen. Maar ik wil jullie om een gunst vragen.’ Ik keek Morgan aan. ‘Voor jou is waarschijnlijk makkelijker dan voor Lugonn. Maar wil ik jullie vragen niet te veranderen ten opzichte van mij. Ik zie jullie als mijn vrienden en ik hoop dat we ons zo kunnen blijven zien.’ Ik keek opzij en Lugonn’s ogen priemden zich in de mijne. ‘Ook al ben ik over een paar uur onderdeel van de Distel en moeten anderen mij koning noemen.’
‘Dat zal niet altijd gaan, meester,’ zei Lugonn.
‘Natuurlijk niet. Dat besef ik ook. Wanneer er anderen bij zijn zullen we anders met elkaar omgaan. Maar zoals nu -onder ons- is dat niet nodig.’ Ik keek Morgan aan. ‘Wat vind jij?’ Hij knikte. ‘Lugonn?’
‘Natuurlijk, meester, zoals u wilt. Maar als uw persoonlijke raadsman beoordelen mensen mij op mijn gedrag. Daarbij willen ze me maar al te graag veroordelen. Ik voel me prettig bij een zekere formele omgang, met uw goedvinden natuurlijk.’
‘Zoals je wilt.’
De zon brandde fel, die dag. Het was warm, zeker zo ingepakt op mijn paard. Toch voelde het pantser goed aan. De jonge pages hadden hun uiterste best gedaan. Het harnas glom van alle kanten en ook Boxter zag er verzorgd uit. Het dier was fel vandaag. Hij voelde mijn spanning waarschijnlijk aan. Dat was goed. Dat had ik nodig. Vandaag moest ik in een lang toernooi tegen alle kampioenen van dat jaar strijden. Elke discipline zou aan bod komen, zodat ik het volk liet zien dat ik alle vaardigheden beheerste zoals een goed koning betaamt. Het was jammer dat de pracht en praal, zoals Boxter en ik er nu uitzagen, daar onder te lijden zou hebben. Ik kwam bij het veld waar de spelen plaats zouden vinden. Zou Deianne al aanwezig zijn? Vast wel… tussen de adel in hun loge. Vreemd genoeg had ik serene rust nog over me zoals ik wakker was geworden vanmorgen. Was dat goed of juist niet? Het volk scandeerde mijn naam terwijl ik naar het midden van het veld reed. Niet alle uitingen waren even vriendelijk.
Boxter werd onrustiger. ‘Rustig jongen,’ fluisterde ik hem toe. We reden naar de ereloge. Daar zat mijn moeder. Ze lachte me toe. Ook haar had ik al weken niet meer gezien. Links van haar stond Lugonn. Hij knikte me toe. Recht naast mijn moeder zat Aaron, de opperrechter Mid-Lothian. Hij liet me duidelijk blijken dat hij me nog steeds niet mocht. Grimmig kruisten onze blikken elkaar. Deianne zat rechts van Aaron. Even mooi als altijd. Schaamteloos zwaaide ze me toe. Ik liet Boxter een kniebuiging maken en boog voor deze erelieden. Toen ik opkeek zag ik dat Deianne iets naar de fluisterde. Ik kon alleen niet opmaken wat. Ik liet Boxter een kwartslag maken en keek naar de acht kampioenen. Kwaadaardig keken ze me aan. Het zou een zware dag worden. Weer liet ik Boxter knielen. Dit keer hield ik mijn hoofd omhoog en keek ze strak aan.
Ik weet het nog goed. Vijf van de acht kampioenen moesten worden verslagen anders zou ik niet worden toegelaten tot de orde. Het steekspel, kruisboogschieten, handboogschieten, de paardenrace, stokvechten, paalwerpen, en tenslotte het man tot man zwaardvechten. De laatste was het meest lichamelijk belastende onderdeel van de ceremonie, zonder bescherming van een harnas. Mijn tegenstander was die dag een zeer geduchte. De kampioen van dat jaar, MacMandell, was een kleinzoon van Wallace. Wallace was een krijger wiens legenden tot op de dag van vandaag -steeds sterker- worden doorverteld. MacMandell was een killer, die zijn alles zou doen om zijn reputatie waar te maken. We hadden elkaar al eens eerder ontmoet. Twee jaar eerder. Hij was toen zeventien, ik vijftien. Toen had hij gewonnen. Maar de krachtverdeling zou deze dag anders zijn.
Ik klapte ik mijn vizier naar beneden en reed naar de baan voor de eerste krachtmeting. Ik voelde me er klaar voor. De zon stond laag waardoor ik alleen een silhouet van de loge kon zien. Voor de Orde van de Distel. Zou het de moeite waard zijn? De tijd zou het leren…